Chronisch nierfalen bij de kat
Chronisch nierfalen bij de kat
Chronisch nierfalen is een veel voorkomend ziektebeeld bij de kat en wordt veroorzaakt door chronische slijtage aan de nieren. Ook bij de hond zien we nierfalen, maar in dit stuk laten we de hond buiten beschouwing. Chronisch nierfalen kan op iedere leeftijd optreden, maar we zien het vaker op oudere leeftijd.
De functie van de nieren
De nieren hebben belangrijke functies in het lichaam. Ze zorgen voor de uitscheiding van afvalstoffen. Ureum en creatinine zijn afvalstoffen van de eiwitstofwisseling die door de nieren moeten worden uitgescheiden. Daarnaast is de nier ook belangrijk voor de water- en mineralenhuishouding, de zuur/base balans in het bloed en de aanmaak van vitamine D. Ook maakt de nier erythropoietine aan. Dit stofje is beter bekend als epo en stimuleert het beenmerg tot de aanmaak van nieuwe rode bloedcellen. Wanneer de nieren aangetast zijn door een ziekte, worden alle functies minder. Kortom een kat met nierfalen krijgt teveel gifstoffen in het bloed, verliest te veel water, mineralen en eiwitten met de urine en maakt te weinig nieuwe rode bloedcellen aan.
Symptomen bij de kat
Katten met nierfalen kunnen uiteenlopende symptomen vertonen en soms zijn ze in het beginstadium niet erg uitgesproken. Vooral bij die katten waar de slijtage aan de nieren langzaam verloopt, zijn de symptomen vaak onopvallend. Bij een deel van de katten treedt op een bepaald moment een acute verslechtering op van het chronisch nierfalen, een soort crisis met duidelijke symptomen die te verklaren zijn door het verlies aan functies. Door het teveel aan gifstoffen in het bloed wordt de kat misselijk en kan gaan braken. De kat gaat minder eten en valt af. De gifstoffen, met name het hoge ureum in het bloed, kunnen zweren in de bek geven en de kat gaat uit de bek stinken. Omdat het filter in de nieren lek is, verliest de kat eiwitten, hij vermagert en wordt slap en slomer. Ook de bloedarmoede zorgt ervoor dat de kat sloom wordt. De kat verzorgt zichzelf niet goed meer en de vacht wordt slechter. De water en zouten huishouding is verstoord en de kat raakt uitgedroogd, ondanks dat hij meer is gaan drinken.
Het stellen van de diagnose
De diagnose chronisch nierfalen kan worden gesteld door middel van bloedonderzoek in combinatie met het urine onderzoek. Bij het urine onderzoek wordt altijd waterige urine gevonden. De nier kan de urine immers niet meer concentreren. Soms zien we in de urine ook bloed en eiwit door verlies uit de nier. Bij het microscopisch onderzoek van de urine zien we soms niercellen of andere cellen uit de hogere urinewegen. Bij het bloedonderzoek worden een verhoogd ureum en creatinine gevonden. De nier kan deze stoffen onvoldoende meer uitscheiden. Vaak is ook het fosfaat in het bloed verhoogd. De eiwitten in het bloed kunnen afwijkend zijn, het kalium kan afwijkend zijn en er is soms bloedarmoede.
Verder onderzoek
Nadat de diagnose chronisch nierfalen is gesteld, is het belangrijk nog een aantal aanvullende onderzoeken te doen. Zo kan de juiste behandeling ingesteld worden en daarmee de levenskwaliteit verbeterd en de levensduur verlengd. Voor het uitsluiten van een bacteriƫle infectie van de nieren kan een kweek worden ingezet van de urine. In de urine kan gemeten worden of er teveel eiwit verloren gaat via de nieren. Ook is het zinvol een bloeddrukmeting te doen, aangezien katten met chronisch nierfalen vaak een hoge bloeddruk ontwikkelen.
Met echo onderzoek van de urinewegen kunnen andere oorzaken van nierfalen worden uitgesloten. Denk hierbij aan ontstekingen, nierstenen, tumoren, bepaalde eiwitneerslagen en aangeboren afwijkingen. Het echo onderzoek zegt niets over de functie van de nieren, maar is wel belangrijk voor de behandeling en de prognose. Als laatste kan er nog getest worden op bepaalde virusziekten bij de kat.
De behandeling
Helaas kan de kat met chronisch nierfalen niet meer genezen. De behandeling is gericht op het oplossen van een acute crisis, het zo goed mogelijk benutten van nog goed functionerend nierweefsel en het voorkomen van verdere slijtage aan de nieren met als doel een betere kwaliteit van leven. Katten met een acute verslechtering krijgen infuus. De kat is immers uitgedroogd en zo kunnen de zouten worden gecorrigeerd. De kat krijgt medicatie tegen misselijkheid. Als de behandeling aanslaat en de kat zich beter voelt, gaat de kat weer eten. De behandeling van chronisch nierfalen kan dan thuis worden voortgezet, hij is immers niet genezen. Bij de meer chronische gevallen is infuus meestal niet nodig. De kat krijgt nierdieet aangeboden. Het nierdieet is eiwitarm, zoutarm en fosfaatarm. Daarnaast kunnen nog fosfaatverlagers gegeven worden. Bij een laag kalium in het bloed kan dit aangevuld worden met kaliumsuppletie. Bij bacteriƫle ontstekingen kan er een antibioticakuur gegeven worden. Indien er sprake is van eiwitverlies en hoge bloeddruk krijgt de kat medicijnen hiertegen.
Voor iedere kat is de behandeling dus anders. Soms zeer uitgebreid, soms is alleen nierdieet voldoende. Met de kennis over de ziekte en de mogelijkheden van behandeling kunnen we tegenwoordig katten met chronisch nierfalen langere tijd een goede kwaliteit van leven bieden.